Ambtenarenwet

Artikel 1 Ambtenarenwet

Artikel 1 van de Ambtenarenwet wordt als volgt gewijzigd;

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

1. Ambtenaar in de zin van deze wet is degene, die krachtens een arbeidsovereenkomst met een overheidswerkgever werkzaam is. die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn.

2. Tot den openbaren dienst behooren alle diensten en bedrijven door den Staat en de openbare lichamen beheerd. Ambtenaar is tevens degene die met een overheidswerkgever is overeengekomen onbezoldigd een functie te vervullen die is aangewezen bij algemene maatregel van bestuur, waarvan de voordracht geschiedt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

3. Niet is ambtenaar in de zin van deze wet degene, met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.

4. Tenzij het tegendeel blijkt, zijn in deze wet onder ambtenaren gewezen ambtenaren begrepen.

Parlementaire geschiedenis

[Voorstel van wet][1], 32 550, nr. 2.

ARTIKEL I

De Ambtenarenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

1. Ambtenaar in de zin van deze wet is degene die krachtens een arbeidsovereenkomst met een overheidswerkgever werkzaam is.

2. Overheidswerkgever in de zin van deze wet, zijn:

a. de staat;

b. de provincies;

c. gemeenten;

d. Europese groeperingen voor territoriale samenwerking met een statutaire zetel in Nederland

e. overige openbare lichamen;

f. overige krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen; en

g. andere dan krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen, waarvan een orgaan is bekleed met openbaar gezag, waarbij de uitoefening van dat gezag de kernactiviteit van de rechtspersoon vormt.

3. Een overheidswerkgever sluit geen arbeidsovereenkomst met:

a. degenen die zijn benoemd in het ambt van een eenhoofdig bestuursorgaan of als lid van een orgaan of college dat onderdeel uitmaakt van een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon en niet werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van een ander bestuursorgaan;

b. de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, sub 1° tot en met 4°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, de deskundige leden, bedoeld in de artikelen 48, derde lid, 55a, tweede lid, 66, tweede en derde lid, 67, derde lid, 69, tweede lid, en 70, tweede lid, van diezelfde wet, de militaire leden, bedoeld in de artikelen 54, derde lid, 55, tweede lid, en 68, tweede lid, van diezelfde wet en hun plaatsvervangers;

c. de militaire ambtenaren, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Militaire Ambtenarenwet 1931

d. de dienstplichtigen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Kaderwet dienstplicht; en

e. notarissen en gerechtsdeurwaarders.

[Memorie van toelichting][2], 32 550, nr. 3.

II ARTIKELEN (p.20-34)

Artikel I, onderdeel A (p.20-25)

(…)

In het derde lid wordt bepaald met welke personen geen arbeidsovereenkomst wordt gesloten. Daarmee zijn die personen in het voorgestelde nieuwe stelsel geen ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet. Dit betekent dat hun rechtspositie een publiekrechtelijk karakter blijft behouden. Een uitzondering vormen de notarissen en de deurwaarders, die behoudens hun benoeming en ontslag geen publiekrechtelijke rechtspositie hebben. Deels vervult het nieuwe derde lid dezelfde functie als het huidige artikel 2 van de Ambtenarenwet, namelijk ervoor zorgen dat de materiële bepalingen betreffende de rechtspositie van ambtenaren niet van toepassing zijn op bepaalde groepen personen.

Deels vervult het nieuwe derde lid dezelfde functie als het huidige artikel 2 van de Ambtenarenwet, namelijk ervoor zorgen dat de materiële bepalingen betreffende de rechtspositie van ambtenaren niet van toepassing zijn op bepaalde groepen personen.

Tevens vervult het derde lid de functie die artikel 1 van de Ambtenarenwet thans heeft in de artikelen 8:1, tweede lid, en 8:4, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 18 van de Beroepswet: de aanduiding van de categorie besluiten waarop het bestuursprocesrecht van toepassing is. Thans hebben op grond van genoemde artikelen uit de Awb en de Beroepswet de ambtenaren, bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet toegang tot de bestuursrechter, ook als de betreffende categorie ambtenaren in artikel 2 van de Ambtenarenwet wordt uitgezonderd voor titel III van de Ambtenarenwet. De toegang tot de bestuursrechter blijft via de voorgestelde wijziging van artikel 1:1, derde lid, Awb juncto het voorgestelde artikel 1, derde lid, van de Ambtenarenwet behouden voor alle huidige ambtenaren in brede zin van het woord die na inwerkingtreding van het onderhavige voorstel van wet niet bij arbeid-overeenkomst worden aangesteld.

Onderdeel a heeft betrekking op de ambtsdragers, degenen die het ambt van een bestuursorgaan bekleden of lid zijn van een bestuursorgaan of ander college dat onderdeel uitmaakt van een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon. Dit onderdeel heeft betrekking op onder meer de volgende ambtsdragers.

1. De politieke ambtsdragers als bedoeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Hieronder vallen uit de opsomming van het huidige artikel 2 Ambtenarenwet:

–de ministers en staatssecretarissen;

–de commissarissen van de Koning;

–de gedeputeerden;

–de burgemeesters;

–de wethouders;

–de leden van dagelijkse besturen van waterschappen, waaronder de voorzitters.

2. De leden van de Hoge Colleges van Staat – de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen – alsmede de voorzitter en de leden van de commissie van toezicht, bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002, welke organen van de staat in artikel 1:1, tweede lid, van de Awb zijn uitgezonderd van de definitie van bestuursorgaan.

3. De ambtsdragers die zijn benoemd als (lid van) een zelfstandig bestuursorgaan. Hieronder vallen uit de opsomming van het huidige artikel 2 van de Ambtenarenwet:

–de voorzitter, de leden, de plaatsvervangende leden en de buitengewone leden van het College bescherming persoonsgegevens, bedoeld in artikel 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens;

–de leden van de Raden van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank, bedoeld in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

–de voorzitter, de ondervoorzitter en de andere leden van het bestuur van de Organisatie ter verbetering van de binnenvisserij;

–de leden van de Commissie gelijke behandeling, bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling;

–de voorzitter en de andere leden van het bestuur van het Bureau Financieel Toezicht, bedoeld in artikel 110, eerste lid, van de Wet op het notarisambt;

–de voorzitter en de leden van het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;

–de voorzitter en de leden van het College bouw zorginstellingen en het College sanering zorginstellingen, bedoeld in de Wet toelating zorginstellingen;

–de voorzitter en de leden van de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg, artikel 125 van de Ambtenarenwet.

4. De leden van de besturen van andere openbare lichamen. Hierbij valt te denken aan de openbare lichamen voor beroep en bedrijf. Hieronder vallen uit de opsomming van het huidige artikel 2 Ambtenarenwet:

–de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de andere leden van de Sociaal-Economische Raad, de voorzitters en de plaatsvervangende voorzitters van de produkt-, de hoofdbedrijf- en de bedrijfschappen en de leden van de besturen van deze lichamen, alsmede degenen die deel uitmaken van organen van lichamen als bedoeld in artikel 110 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;

–de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter van het Nederlands Instituut van Registeraccountants, de leden van het bestuur van dit lichaam en de leden van de andere bij of krachtens de Wet op de Registeraccountants ingestelde colleges;

–de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter van de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten, de leden van het bestuur van dit lichaam en de leden van de andere bij of krachtens de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten ingestelde colleges;

–de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, de andere leden van het bestuur van dit lichaam en de leden van het bestuur van de ringen en hun plaatsvervangers;

–de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders en de andere leden van het bestuur van dit lichaam.

Het huidige artikel 2 van de Ambtenarenwet noemt tevens adviescolleges, niet zijnde een adviescollege als bedoeld in artikel 3 van de Kaderwet. In artikel 3 van de Kaderwet adviescolleges is bepaald dat de kaderwet niet van toepassing is op colleges die de adviesfunctie niet als hoofdtaak hebben. Over het algemeen zijn dergelijke colleges dan voor hun hoofdtaak zelfstandig bestuursorgaan (bijvoorbeeld de Kiesraad). De in het huidige artikel 2 van de Ambtenarenwet opgenomen uitzondering heeft voor het onderhavige voorstel van wet geen betekenis.

Aan het slot van het derde lid, onderdeel a, is de beperking opgenomen dat voor de toepassing van dit onderdeel de betrokkene niet werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van een ander bestuursorgaan. Deze zinsnede is ontleend aan artikel 10:22 van de Awb betreffende de attributie van bevoegdheden tot het nemen van besluiten aan ambtenaren. Een dergelijke attributie maakt de betrokken ambtenaar een bestuursorgaan in de zin van de Awb, maar doorbreekt niet de gezagsverhouding met het verantwoordelijke bestuursorgaan. Voorbeelden van ambtenaren aan wie dergelijke bevoegdheden zijn geattribueerd zijn de inspecteur der belastingen en de officier van justitie. Voorgesteld wordt om deze categorie ambtenaren primair te zien als ambtenaren en niet als bestuursorgaan en ze daarom in het derde lid, onder a, niet uit te zonderen. Ook deze ambtenaren zullen na inwerkingtreding van onderhavig voorstel van wet op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn. In de aanpassingswet zullen de noodzakelijke wijzigingen moeten worden opgenomen betreffende de regels over hun benoeming.

In onderdeel b is opgenomen dat met de leden van de rechterlijke macht geen arbeidsovereenkomst wordt gesloten. Het betreft de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast (artikel 1, onderdeel b, sub 1° tot en met 3°, van de Wet op de rechterlijke organisatie) en de eveneens voor het leven benoemde leden van het parket bij de Hoge Raad (artikel 1, onderdeel b, sub 4°, van de Wet op de rechterlijke organisatie), alsmede de in onderdeel b opgesomde deskundige en militaire leden van diverse gerechten en hun plaatsvervangers. De opsomming van die deskundige en militaire leden komt overeen met de opsomming in het huidige artikel 2, eerste lid, van de Ambtenarenwet, zoals dat artikel op dit punt met ingang van 1 juli 2010 is gewijzigd.1 Als gevolg van deze wet is onder meer rechtsbescherming ingevoerd ten aanzien van rechtspositionele besluiten ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren, ten behoeve waarvan artikel 1:1, derde lid, van de Awb is aangepast. Met het onderhavige voorstel wordt niet beoogd in de rechtspositie van deze rechterlijke ambtenaren verandering aan te brengen. In de toelichting bij de voorgestelde wijzigingen van de Awb en de Beroepswet wordt hierop nader ingegaan.

In de onderdelen c en d zijn militaire ambtenaren en dienstplichtigen uitgezonderd. Op deze categorieën zijn de Militaire ambtenarenwet 1931 en de Kaderwet dienstplicht van toepassing. Anders dan onder de huidige Ambtenarenwet zijn militaire ambtenaren na inwerkingtreding van het onderhavige voorstel van wet geen ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet.

Onder de uitzondering van onderdeel c valt niet het burgerlijk defensiepersoneel. Op deze groep is thans titel III van de huidige Ambtenarenwet van toepassing. Als gevolg van het onderhavige voorstel van wet wordt het burgerlijk defensiepersoneel na inwerkingtreding aangesteld op grond van een arbeidsovereenkomst. De dienstplichtigen vormen de enige categorie in het voorgestelde artikel 1, derde lid, die thans niet onder de werking van de artikelen 1 of 2 van de Ambtenarenwet vallen. Wel is in de Kaderwet dienstplicht een deel van de Ambtenarenwet van overeenkomstige toepassing verklaard. In de Awb en de Beroepswet gelden voorts de procesrechtelijke bepalingen betreffende ambtenaren eveneens voor de dienstplichtigen. Met opname van de dienstplichtigen in het derde lid wordt bereikt dat buiten twijfel staat dat door de staat met dienstplichtigen geen arbeidsovereenkomst wordt gesloten en dat de rechtsbetrekking tussen de Minister van Defensie en de dienstplichtigen een publiekrechtelijk karakter heeft en houdt.

Tot slot worden in onderdeel e uitgezonderd de notarissen en de gerechtsdeurwaarders. Het betreft hier twee categorieën «openbare ambten», waarvoor een benoeming bij koninklijk besluit is vereist, maar waarvan de beoefenaars zelfstandig ondernemer zijn. Voor deze categorie is thans in artikel 2 van de Ambtenarenwet bepaald dat titel III op hen niet van toepassing is. Door opname in artikel 1, derde lid, staat buiten twijfel dat zij na inwerkingtreding van onderhavig voorstel van wet geen ambtenaar zijn in de zin van de Ambtenarenwet.

[Gewijzigd voorstel naar aanleiding van advies RvS][3], 32 550, nr. 5.

ARTIKEL I

De Ambtenarenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3

Een overheidswerkgever sluit geen arbeidsovereenkomst met:

a. degenen die zijn benoemd in het ambt van een eenhoofdig bestuursorgaan of als lid van een orgaan of college dat onderdeel uitmaakt van een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon en niet werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van een ander bestuursorgaan;

b. de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, sub 1° tot en met 4°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, de deskundige leden, bedoeld in de artikelen 48, derde lid, 55a, tweede lid, 66, tweede en derde lid, 67, derde lid, 69, tweede lid, en 70, tweede lid, van diezelfde wet, de militaire leden, bedoeld in de artikelen 54, derde lid, 55, tweede lid, en 68, tweede lid, van diezelfde wet en hun plaatsvervangers;

c. de militaire ambtenaren, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Militaire Ambtenarenwet 1931;

d. de dienstplichtigen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Kaderwet dienstplicht; en

e. notarissen als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het notarisambt en gerechtsdeurwaarders als bedoeld in artikel 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

[Gewijzigde Memorie van toelichting naar aanleiding van advies Rvs][4], 32 550, nr. 6.

II ARTIKELEN (p.22-48)

Artikel 3

In artikel 3 wordt bepaald met welke personen geen arbeidsovereenkomst wordt gesloten. Daarmee zijn die personen in het voorgestelde nieuwe stelsel geen ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet. Dit betekent dat hun rechtspositie een publiekrechtelijk karakter blijft behouden. Een uitzondering vormen de notarissen en de deurwaarders, die behoudens hun benoeming en ontslag geen publiekrechtelijke rechtspositie hebben. Deels vervult het nieuwe artikel 3 dezelfde functie als het huidige artikel 2 van de Ambtenarenwet, namelijk ervoor zorgen dat de materiële bepalingen betreffende de rechtspositie van ambtenaren niet van toepassing zijn op bepaalde groepen personen. Tevens vervult artikel 3 de functie die artikel 1 van de Ambtenarenwet thans heeft in de artikelen 8:1, tweede lid, en 8:4, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 18 van de Beroepswet: de aanduiding van de categorie besluiten waarop het bestuursprocesrecht van toepassing is. Thans hebben op grond van genoemde artikelen uit de Awb en de Beroepswet de ambtenaren, bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet toegang tot de bestuursrechter, ook als de betreffende categorie ambtenaren in artikel 2 van de Ambtenarenwet wordt uitgezonderd voor titel III van de Ambtenarenwet. De toegang tot de bestuursrechter blijft via de voorgestelde wijziging van artikel 1:1, derde lid, Awb juncto het voorgestelde artikel 3 van de Ambtenarenwet behouden voor alle huidige ambtenaren in brede zin van het woord die na inwerkingtreding van het onderhavige voorstel van wet niet bij arbeidsovereenkomst worden aangesteld.

Onderdeel a heeft betrekking op de ambtsdragers, degenen die het ambt van een bestuursorgaan bekleden of lid zijn van een bestuursorgaan of ander college dat onderdeel uitmaakt van een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon. Dit onderdeel heeft betrekking op onder meer de volgende ambtsdragers.

1. De politieke ambtsdragers als bedoeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Hieronder vallen uit de opsomming van het huidige artikel 2 Ambtenarenwet:

–de ministers en staatssecretarissen;

–de commissarissen van de Koning;

–de gedeputeerden;

–de burgemeesters;

–de wethouders;

–de leden van dagelijkse besturen van waterschappen, waaronder de voorzitters.

2. De leden van de Hoge Colleges van Staat – de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen – alsmede de voorzitter en de leden van de commissie van toezicht, bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002, welke organen van de staat in artikel 1:1, tweede lid, van de Awb zijn uitgezonderd van de definitie van bestuursorgaan.

3. De ambtsdragers die zijn benoemd als (lid van) een zelfstandig bestuursorgaan. Hieronder vallen uit de opsomming van het huidige artikel 2 van de Ambtenarenwet:

–de voorzitter, de leden, de plaatsvervangende leden en de buitengewone leden van het College bescherming persoonsgegevens, bedoeld in artikel 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens;

–de leden van de Raden van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank, bedoeld in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

–de voorzitter, de ondervoorzitter en de andere leden van het bestuur van de Organisatie ter verbetering van de binnenvisserij;

–de leden van de Commissie gelijke behandeling, bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling;

–de voorzitter en de andere leden van het bestuur van het Bureau Financieel Toezicht, bedoeld in artikel 110, eerste lid, van de Wet op het notarisambt;

–de voorzitter en de leden van het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;

–de voorzitter en de leden van het College bouw zorginstellingen en het College sanering zorginstellingen, bedoeld in de Wet toelating zorginstellingen;

–de voorzitter en de leden van de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg.

Het huidige artikel 2 van de Ambtenarenwet zondert tevens de leden van zelfstandige bestuursorganen uit aan wie een schadeloosstelling als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is toegekend. Uit de memorie van toelichting bij de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen1 blijkt dat het onderscheid in artikel 14 van de Kaderwet tussen bezoldiging en schadeloosstelling is gebaseerd op de omvang van de werkzaamheden. Op de leden van zelfstandige bestuursorganen die niet in artikel 2 van de Ambtenarenwet worden genoemd en die een bezoldiging ontvangen, is de huidige titel III van de Ambtenarenwet van toepassing. De ondergetekenden menen dat deze leden in de toekomst niet op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam moeten zijn, maar hun benoeming moeten behouden. Het voorgestelde artikel 3, onderdeel a, heeft daarom tevens betrekking op de leden van zelfstandige bestuursorganen die op grond van de Kaderwet een bezoldiging ontvangen. In de aanpassingswet zal moeten worden bezien of een aanvulling op de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen nodig is ten behoeve van het stellen van algemene regels die thans zijn gebaseerd op artikel 125 van de Ambtenarenwet.

4. De leden van de besturen van andere openbare lichamen. Hierbij valt te denken aan de openbare lichamen voor beroep en bedrijf. Hieronder vallen uit de opsomming van het huidige artikel 2 Ambtenarenwet:

–de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de andere leden van de Sociaal-Economische Raad, de voorzitters en de plaatsvervangende voorzitters van de produkt-, de hoofdbedrijf- en de bedrijfschappen en de leden van de besturen van deze lichamen, alsmede degenen die deel uitmaken van organen van lichamen als bedoeld in artikel 110 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;

–de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter van het Nederlands Instituut van Registeraccountants, de leden van het bestuur van dit lichaam en de leden van de andere bij of krachtens de Wet op de Registeraccountants ingestelde colleges;

–de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter van de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten, de leden van het bestuur van dit lichaam en de leden van de andere bij of krachtens de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten ingestelde colleges;

–de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, de andere leden van het bestuur van dit lichaam en de leden van het bestuur van de ringen en hun plaatsvervangers; –de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders en de andere leden van het bestuur van dit lichaam.

5.De leden van een adviescollege als bedoeld in de Kaderwet adviescolleges. Hieronder vallen uit de opsomming van het huidige artikel 2 Ambtenarenwet:

–de leden van de KNMI-raad, bedoeld in artikel 11 van de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut;

–de leden en de plaatsvervangende leden van de Raad voor werk en inkomen, bedoeld in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Het huidige artikel 2 van de Ambtenarenwet noemt tevens adviescolleges, niet zijnde een adviescollege als bedoeld in artikel 3 van de Kaderwet. In artikel 3 van de Kaderwet adviescolleges is bepaald dat de kaderwet niet van toepassing is op colleges die de adviesfunctie niet als hoofdtaak hebben. Over het algemeen zijn dergelijke colleges dan voor hun hoofdtaak zelfstandig bestuursorgaan (bijvoorbeeld de Kiesraad). De in het huidige artikel 2 van de Ambtenarenwet opgenomen uitzondering heeft voor het onderhavige voorstel van wet geen betekenis.

Aan het slot van het artikel 3, onderdeel a, is de beperking opgenomen dat voor de toepassing van dit onderdeel de betrokkene niet werkzaam dient te zijn onder de verantwoordelijkheid van een ander bestuursorgaan. Deze zinsnede is ontleend aan artikel 10:22 van de Awb betreffende de attributie van bevoegdheden tot het nemen van besluiten aan ambtenaren. Een dergelijke attributie maakt de betrokken ambtenaar een bestuursorgaan in de zin van de Awb, maar doorbreekt niet de gezagsverhouding met het verantwoordelijke bestuursorgaan. Voorbeelden van ambtenaren aan wie dergelijke bevoegdheden zijn geattribueerd zijn de inspecteur der belastingen en de officier van justitie. Voorgesteld wordt om deze categorie ambtenaren primair te zien als ambtenaren en niet als bestuursorgaan en ze daarom in artikel 3, onder a, niet uit te zonderen. Ook deze ambtenaren zullen na inwerkingtreding van onderhavig voorstel van wet op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn. In de aanpassingswet zullen de noodzakelijke wijzigingen moeten worden opgenomen betreffende de regels over hun benoeming.

In onderdeel b is opgenomen dat met de leden van de rechterlijke macht geen arbeidsovereenkomst wordt gesloten. In artikel 117 van de Grondwet is bepaald dat de leden van de rechterlijke macht, alsmede de procureur-generaal voor het leven worden benoemd. Een arbeidsovereenkomst is daarom grondwettelijk niet mogelijk. De opsomming onder b is ruimer dan de in artikel 117 van de Grondwet genoemde leden van de rechterlijke macht. Het betreft de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast (artikel 1, onderdeel b, sub 1° tot en met 3°, van de Wet op de rechterlijke organisatie) en de eveneens voor het leven benoemde leden van het parket bij de Hoge Raad (artikel 1, onderdeel b, sub 4°, van de Wet op de rechterlijke organisatie), alsmede de in onderdeel b opgesomde deskundige en militaire leden van diverse gerechten en hun plaatsvervangers. De opsomming van die deskundige en militaire leden komt overeen met de opsomming in het huidige artikel 2, eerste lid, van de Ambtenarenwet, zoals dat artikel op dit punt met ingang van 1 juli 2010 is gewijzigd.1 Als gevolg van deze wet is onder meer rechtsbescherming ingevoerd ten aanzien van rechtspositionele besluiten ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren, ten behoeve waarvan artikel 1:1, derde lid, van de Awb is aangepast. Met het onderhavige voorstel wordt niet beoogd in de rechtspositie van deze rechterlijke ambtenaren verandering aan te brengen. In de toelichting bij de voorgestelde wijzigingen van de Awb en de Beroepswet wordt hierop nader ingegaan.

In de onderdelen c en d zijn militaire ambtenaren en dienstplichtigen uitgezonderd. Op deze categorieën zijn de Militaire ambtenarenwet 1931 en de Kaderwet dienstplicht van toepassing. Anders dan onder de huidige Ambtenarenwet zijn militaire ambtenaren na inwerkingtreding van het onderhavige voorstel van wet geen ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet. Onder de uitzondering van onderdeel c valt niet het burgerlijk defensiepersoneel. Op deze groep is thans titel III van de huidige Ambtenarenwet van toepassing. Als gevolg van het onderhavige voorstel van wet wordt het burgerlijk defensiepersoneel na inwerkingtreding aangesteld op grond van een arbeidsovereenkomst. De dienstplichtigen vormen de enige categorie in het voorgestelde artikel 3 die thans niet onder de werking van de artikelen 1 of 2 van de Ambtenarenwet vallen. Wel is in de Kaderwet dienstplicht een deel van de Ambtenarenwet van overeenkomstige toepassing verklaard. In de Awb en de Beroepswet gelden voorts de procesrechtelijke bepalingen betreffende ambtenaren eveneens voor de dienstplichtigen. Met opname van de dienstplichtigen in artikel 3 wordt bereikt dat buiten twijfel staat dat door de staat met dienstplichtigen geen arbeidsovereenkomst wordt gesloten en dat de rechtsbetrekking tussen de regering en de dienstplichtigen een publiekrechtelijk karakter heeft en houdt.

Tot slot worden in onderdeel e uitgezonderd de notarissen en de gerechtsdeurwaarders. Het betreft hier twee categorieën «openbare ambten», waarvoor een benoeming bij koninklijk besluit is vereist, maar waarvan de beoefenaars zelfstandig ondernemer zijn. Voor deze categorie is thans in artikel 2 van de Ambtenarenwet bepaald dat titel III op hen niet van toepassing is. Door opname in artikel 3 staat buiten twijfel dat zij na inwerkingtreding van het onderhavige voorstel van wet geen ambtenaar zijn in de zin van de Ambtenarenwet.

Nu als gevolg van het onderhavige voorstel van wet de Ambtenarenwet niet langer betrekking heeft op ambtdragers en de andere uitzonderingen, genoemd in artikel 3 (nieuw), kan de opsomming met uitzonderingen in het huidige artikel 2 van de Ambtenarenwet komen te vervallen. De meeste in artikel 2 genoemde uitzonderingen zijn reeds behandeld bij de toelichting op het voorgestelde nieuwe artikel 1, derde lid. Met betrekking tot de niet in die toelichting genoemde onderdelen zij het volgende opgemerkt.

Het personeel in dienst van de Sociaal-Economische Raad, de produkt-, de hoofdbedrijf- en de bedrijfschappen en de lichamen, bedoeld in artikel 110 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie is van de werking van titel III van de Ambtenarenwet uitgezonderd, omdat dit personeel thans reeds werkzaam is op grond van een arbeidsovereenkomst. Er bestaat daarom geen grond deze categorie van de vernieuwde Ambtenarenwet uit te zonderen.

De onbezoldigde ambtenaren, behorende tot het personeel van de buitenlandse dienst, hebben in het geheel geen rechtspositie. Deze categorie ambtenaren, ook aangeduid als honorair consul, valt niet onder de definitie van het voorgestelde nieuwe artikel 1, eerste lid, zolang met deze onbezoldigde ambtenaren geen arbeidsovereenkomst wordt gesloten. Zoals de Afdeling advisering van de Raad van State in haar advies heeft aangegeven, is het van belang dat aan ambtenaren te stellen eisen van toepassing zijn op de honorair consul. Daartoe kan de functie van honorair consul worden opgenomen inde in artikel 1, tweede lid, genoemde algemene maatregel van bestuur.

De uitzondering betreffende het lid van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet 1996 ziet op een zelfstandig bestuursorgaan. Deze uitzondering is in de opsomming in de toelichting bij het voorgestelde artikel 3 niet opgenomen, omdat de Arbeidsvoorzieningswet 1996 is vervallen per 1 november 2004.

Met ingang van 1 juli 2010 is aan de opsomming in artikel 2 toegevoegd: de buitengriffiers en de waarnemend griffiers, bedoeld in de artikelen 14, vierde lid, en 73, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Deze toevoeging is opgenomen, omdat de rechtspositie van deze categorie griffiers uitputtend is geregeld bij of krachtens de genoemde artikelen van de Wet op de rechterlijke organisatie. Deze categorie griffiers vormt een soort oproepkrachten, waarvoor titel III van de Ambtenarenwet niet is bedoeld. De reden voor het opnemen van deze categorie in artikel 2 betekent niet dat deze categorie (anders dan de griffiers in vaste dienst) geen arbeidsovereenkomst zouden moeten krijgen. Wel zal bij de aanpassingswet moeten worden bezien of voor deze categorie in plaats van een arbeidsovereenkomst een overeenkomst als freelancer kan worden geïntroduceerd.

Voorts is in het huidige artikel 2, tweede lid, bepaald dat de artikelen 125, 125bis, 125ter, 125quater, 125quinquies, 125a, 125c, 125d, 125f en 126 niet van toepassing zijn op de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onderdelen 5° tot en met 9°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, en de rechterlijke ambtenaren in opleiding, bedoeld in artikel 145 van diezelfde wet. Deze voorziening kan komen te vervallen, aangezien de ambtenaren waarop deze bepaling ziet – de procureurs-generaal, de advocaten-generaal, de officieren van justitie, de gerechtsauditeurs en de griffiers – in de toekomst werkzaam zullen zijn op grond van een arbeidsovereenkomst. In de aanpassingswet zal moeten worden bezien hoe eventuele doublures kunnen worden voorkomen tussen de als gevolg van het onderhavige voorstel van wet gewijzigde artikelen 125quater en 125quinquies van de Ambtenarenwet en de voor deze gerechtelijke ambtenaren noodzakelijke aanpassingen van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

[Eerste nota van wijziging][5], 32 550, nr. 9.

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

ARTIKEL I

Titel I tot en met IV van de Ambtenarenwet worden vervangen door:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 3

Een overheidswerkgever sluit geen arbeidsovereenkomst met:

a. degenen die zijn benoemd in het ambt van een eenhoofdig bestuursorgaan of als lid van een orgaan of college dat onderdeel uitmaakt van een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon en niet werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van een ander bestuursorgaan;

b. 1°. de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, sub 1° tot en met 4°, van de Wet op de rechterlijke organisatie;

2°. de deskundige leden, bedoeld in de artikelen 48, derde lid, 55a, tweede lid, 66, tweede en derde lid, 67, derde lid, 69, tweede lid, en 70, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie en hun plaatsvervangers;

3°. de militaire leden, bedoeld in de artikelen 54, derde lid, 55, tweede lid, en 68, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie en hun plaatsvervangers;

4°. de bij de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven werkzame leden met rechtspraak belast, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Beroepswet onderscheidenlijk artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie;

c. de militaire ambtenaren, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Militaire Ambtenarenwet 1931;

d. de dienstplichtigen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Kaderwet dienstplicht;

e. notarissen als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het notarisambt en gerechtsdeurwaarders als bedoeld in artikel 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

[1] Kamerstukken II 2010-2011, 32 550, nr. 2.

[2] Kamerstukken II 2010-2011, 32 550, nr. 3.

[3] Kamerstukken II 2011-2012, 32 550, nr. 5.

[4] Kamerstukken II 2011-2012, 32 550, nr. 6.

[5] Kamerstukken II 2011-2012, 32 550, nr. 9.