De kantonrechter Limburg heeft in een uitspraak geoordeeld dat een werknemer van een Penitentiaire Inrichting die voor duizenden euro’s aan valse declaraties indiende niet verwijtbaar handelde. Volgens de kantonrechter heeft de werknemer zich weliswaar schuldig gemaakt aan het indienen van onterechte reisdeclaraties, maar gelet op de omstandigheden van het geval kan dit handelen hem niet worden toegerekend. Er volgt een afwijzing van het ontbindingsverzoek. Hoe was deze zaak uitgepakt als deze zaak aan de Centrale Raad van Beroep was voorgelegd?

Feiten

De ambtenaar in kwestie is werkzaam bij een Penitentiaire Inrichting (PI) en is door zijn leidinggevende in eerste instantie benaderd om hem geld te lenen. Op enig moment heeft de leidinggevende voorgesteld om reisdeclaraties in te dienen om extra geld te verdienen. De leidinggevende keurde de declaraties goed, waarbij door de leidinggevende werd aangegeven welke bedragen de ambtenaar moest declareren. Uit de summiere correspondentie die beschikbaar is, blijkt volgens de kantonrechter dat de leidinggevende de ambtenaar meermaals benaderde en dat er daarbij om geld werd verzocht. Dit heeft de leidinggevende ook niet ontkend. De leidinggevende heeft de ambtenaar voorts ook opgezocht bij diens moeder en zelfs geld van de moeder van de ambtenaar geleend. Na zijn uitdiensttreding bleef de leidinggevende, de ambtenaar – maar ook collega’s – benaderen voor geld.

De ambtenaar heeft verklaard dat hij zou hebben meegewerkt aan de declaraties, omdat hij zich zwaar onder druk gezet voelde. Er zou zelfs in het begin door zijn leidinggevende zijn gezegd dat er sprake was van een dienstopdracht. De leidinggevende heeft verklaard dat hij de ambtenaar voorhield dat hij hem moest helpen, omdat anders het gezin van de leidinggevende in gevaar zou zijn. Ook heeft de leidinggevende de ambtenaar voorgelogen door te zeggen dat zijn vrouw ernstig ziek was. De broer van de ambtenaar heeft in dat kader verklaard dat de ambtenaar altijd mensen wil helpen en daarbij niet kan inzien wanneer er misbruik van hem wordt gemaakt.

De leidinggevende heeft verklaard dat hij het geld dat met de onterechte declaraties werd verkregen deelde met de ambtenaar. Dit is volgens de kantonrechter onvoldoende vast komen te staan.

Geen sprake van toerekenbare verwijtbaarheid

De kantonrechter stelt voorop dat bij een ontbinding op de e-grond sprake moet zijn van toerekenbare verwijtbaarheid. Volgens de kantonrechter is evident sprake van een situatie waarin misbruik is gemaakt van de ambtenaar. De kantonrechter acht het meer dan aannemelijk dat de ambtenaar door toedoen van zijn leidinggevende onder een dusdanige psychische druk is komen te staan dat hij niet bij machte was daar weerstand aan de bieden.

De kantonrechter concludeert dat de ambtenaar zich weliswaar schuldig heeft gemaakt aan het indienen van onterechte reisdeclaraties, maar gelet op de omstandigheden van het geval kan dit handelen hem niet worden toegerekend. Daarbij is volgens de kantonrechter van belang dat de leidinggevende het initiatief nam en de ambtenaar onder aanhoudende druk van zijn leidinggevende stond. Naar het oordeel van de kantonrechter doet dit in zeer ernstige mate afbreuk aan de toerekenbaarheid en daarmee aan de verwijtbaarheid van de door de ambtenaar verrichte handelingen. Daarbij weegt de kantonrechter in het voordeel van de ambtenaar nog mee dat hij uiteindelijk zelf naar de directie van de PI is gestapt om zijn verhaal te doen. Dit had volgens de kantonrechter weliswaar eerder gekund, maar neemt niet weg dat de ambtenaar dit op enig moment tóch heeft gedaan.

De omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de kantonrechter derhalve niet de kwalificatie ernstig verwijtbaar handelen.

Toerekenbare verwijtbaarheid – maatstaf van de kantonrechter

De maatstaf die door de kantonrechter wordt aangelegd, is al eens eerder in de rechtspraak tot uitgangspunt genomen. Zo vond het Hof Arnhem-Leeuwarden in een zaak waarin de werknemer in strijd met het geheimhoudingsbeding documenten aan zijn privé e-mailadres had toegestuurd en daarover weigerde te verklaren, het gedrag niet ‘toerekenbaar verwijtbaar’, omdat het handelen van de werknemer leek te zijn ingegeven door stress, achterdocht en angst voor ontslag en de werknemer niet moedwillig weigerde om mee te werken aan een onderzoek naar een datalek (Hof Arnhem-Leeuwarden 8 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1984). De kantonrechter Rotterdam oordeelde dat ontslag op de e-grond kon volgen bij ‘daden of gedragingen van de werknemer waarbij sprake is van toerekenbare verwijtbaarheid’. De kantonrechter stelde dat moet worden getoetst aan de schuld van de werknemer, aan diens onwil of moedwil. In het licht van deze maatstaf achtte hij niet verwijtbaar dat een verpleegkundige een psychiatrisch patiënt met een alcoholprobleem toestond een glas wijn te drinken: de verpleegkundige had dat bedoeld als ‘mooi moment’ tijdens een psychiatrische opname (Rechtbank Rotterdam 15 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4848). In hoger beroep is deze uitspraak in stand gebleven (Hof Den Haag 4 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:848).

Strengere maatstaf van de Centrale Raad van Beroep

De Centrale Raad van Beroep (“de Raad”) zou in deze zaak een beduidend strengere maatstaf hebben toegepast. Uit vaste rechtspraak van de Raad blijkt namelijk dat een beroep op het ontbreken van toerekenbaarheid slechts wordt aangenomen indien de ambtenaar ten tijde van zijn gedragingen niet in staat was de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien, dan wel niet in staat zou zijn geweest overeenkomstig dit inzicht te handelen en derhalve de gedraging achterwege te laten. Hierbij ligt het volgens de Raad op de weg van de ambtenaar om dit aannemelijk te maken.

De lat ligt dus heel hoog en een geslaagd beroep op het ontbreken van toerekenbaarheid wordt slechts zeer zelden aangenomen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een zaak, waarin het indienen van twee onrechtmatige declaraties als wangedrag was aangemerkt en tot ontslag leidde. Volgens de Raad was op basis van psychologisch onderzoek aannemelijk dat de ambtenaar voor, tijdens en na de periode waarin hij de declaraties had ingediend, kampte met psychische klachten. Dat was volgens de Raad evenwel geen toereikende basis voor het oordeel dat de ambtenaar als gevolg van een psychische stoornis niet in staat was om in te zien dat het indienen van de twee declaraties ontoelaatbaar was en overeenkomstig dat inzicht te handelen. Voor de toerekenbaarheid is volgens de Raad niet van doorslaggevende betekenis of het gedrag psychopathologisch verklaard kan worden, maar of betrokkene ten tijde van de gedragingen in staat was de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien en daarnaar te handelen. De Raad zag daarom geen aanleiding om af te wijken van zijn vaste rechtspraak (zie: CRvB 7 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:913).

Ambtelijke integriteit en toerekenbaarheid

In deze zaak blijkt uit de uitspraak dat de ambtenaar zich vanwege ernstige psychische klachten onder behandeling van een psycholoog heeft laten stellen. Met dat enkele feit is echter nog niet aannemelijk gemaakt dat het verweten gedrag hem niet kan worden toegerekend. In dit geval valt het mijns inziens te betwijfelen of de ambtenaar ten tijde van het indienen van de valse declaraties niet in staat was de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien en overeenkomstig dit inzicht te handelen. Dat is in ieder geval door de ambtenaar niet aannemelijk gemaakt. Bovendien blijkt uit de rechtspraak van de Raad dat een groot beroep mag worden gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van de ambtenaar en een ambtenaar zich bijvoorbeeld niet mag verschuilen achter een cultuur op de werkvloer of een gebrek aan adequate controle. In dit geval zag de kantonrechter aanleiding om vanwege de psychische druk en het feit dat e.e.a. op initiatief van de leidinggevende had plaatsgevonden tot het oordeel te komen dat geen sprake is van verwijtbaar handelen. Het was mijns inziens zeer goed mogelijk geweest dat de Raad op basis van deze feiten tot een heel ander oordeel was gekomen!